Oorzaak onbekend

Dit onderzoek van Marjolein Willemsen gaat over het identificeren van genetische oorzaken van verstandelijke beperkingen. Het is belangrijk om te weten wat de oorzaak is, dit helpt in de counseling en zorg voor mensen met verstandelijke beperkingen en hun familieleden. Als de oorzaak bekend is kan ingespeeld worden op specifieke geassocieerde gezondheids- en gedragsproblemen.

 

In de afgelopen jaren hebben ontwikkelingen in genetische technologie geleid tot veelbelovende nieuwe mogelijkheden voor het opsporen van genetische oorzaken van verstandelijke beperkingen en de beschikbare mogelijkheden voor genetische diagnostiek ontwikkelen zich razendsnel. Marjolein heeft met haar proefschrift in 2014 de Ds. Visscherprijs gewonnen; de prijs voor het beste proefschrift in de zorg voor mensen met een verstandelijke beperking.

 

Over het onderzoek


• Identificeren van genetische oorzaken van verstandelijke beperkingen in individuen met tot dan toe onverklaarde beperkingen.

• Beschrijven van de bijbehorende klinische kenmerken (fenotypes).

• Vaststellen van de diagnostische mogelijkheden van het huidige arsenaal aan technieken voor genetische diagnostiek.

• Implementatie van de verworven kennis in de klinische praktijk.

Voor deze studie is een cohort van 253 mensen met onverklaarde verstandelijke beperkingen geselecteerd vanuit een groep van meer dan 2000 mensen met verstandelijke beperkingen die zorg ontvangen van drie grote zorginstellingen in het oosten van Nederland.

In de resultaten van het onderzoek worden zeldzame en nieuwe beelden die veroorzaakt worden door microscopische en submicroscopische chromosoom-afwijkingen beschreven. Ook wordt het fenotypisch spectrum van bekende syndromen voor mensen met verstandelijke beperkingen, namelijk Kleefstra syndroom en Angelman- en Rett-achtige syndromen gedetailleerd besproken, inclusief de evolutie op volwassen leeftijd.
 

Verder wordt de toepassing van het recent in de diagnostiek geïntroduceerde NGS onderzoek bij sporadische patiënten met verstandelijke beperkingen en bij patiënten met familiaire verstandelijke beperkingen beschreven. Dit heeft geleid tot het vaststellen van bekende en nieuwe genen betrokken bij verstandelijke beperkingen en de beschrijving van nieuwe syndromen. Daarnaast werden verschillende nieuwe kandidaat-genen voor verstandelijke beperkingen gevonden.
 

Dit onderzoek heeft geresulteerd in het vaststellen van veel genetische diagnoses. In de eerste fase werd bij 18,4% een genetische diagnose vastgesteld (12,4% chromosoomafwijking, 4,7% monogene afwijking en 1.3% metabole stoornis). In de tweede fase met het NGS onderzoek bij patiënten met een sporadische of familiaire vorm van verstandelijke beperkingen werd bij 36,2% een moleculaire diagnose vastgesteld. Bij elkaar is de opbrengt aan diagnoses van beide fases van de studie 54,6%. Dit laat zien dat het percentage mensen met een verklaarde verstandelijke beperking, dat voorheen rond de 50% lag, door de toepassing van het huidig beschikbare genetisch diagnostisch arsenaal kan oplopen tot meer dan 75%. Deze onderzoeksresultaten zijn geïmplementeerd in de klinische praktijk, namelijk in de 'polikliniek Zeldzaam'.